DIVERSE LIEDJES EN VERSJES
| Schuitje varen... | Jan Huygen... | Slaap kindje slaap... | ||
| Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de Overtoom drinken we zoete melk met room, zoete melk met brokken. Kindertjes mogen niet jokken. |
Jan Huygen in de ton, met een hoepeltje erom, Jan Huygen, Jan Huygen, en de ton die viel in duigen! |
Slaap, kindje slaap, Daar buiten loopt een schaap, een schaap met witte voetjes, drinkt er de melk zo zoetjes. Schaapje met zijn witte wol, kindje drinkt zijn buikje vol. |
||
| Huisje op het ijs... | Poppenkraam | In Den Haag... | ||
|
Er was eens een mannetje dat was niet wijs. Het bouwde zijn huisje op het ijs. 't Begon te dooien. 't Hield op met vriezen... Toen moest dat mannetje zijn huisje verliezen. |
Ik stond laatst voor een
poppenkraam, zo, zo, zo. Daar zag ik zo-veel poppen staan, die deden allemaal zo. De poppenkoopman was op reis, de poppen waren van de wijs, ze deden allemaal zo, ze deden allemaal zo, ze deden allemaal zo, |
In Den Haag daar woont een graaf en zijn zoon heet Jantje. Als je vraagt: waar woont je Pa? dan wijst hij met zijn handje. Met zijn vingertje en zijn duim. Op zijn hoed draagt hij een pluim, aan zijn arm een mandje. Dag mijn lieve Jantje. |
||
| Kortjakje... | Jan van Gijzen... | Opa Bakkebaard... | ||
| Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week, maar zondags niet. Zondags gaat ze naar de kerk met een boek vol zilverwerk. Zilverwerk moet het wel wezen, anders wordt het niet gelezen. |
Daar was eens een vrouw, die koeken bakken zou, en het meel, dat wou niet rijzen. De pan viel om, en de koeken waren krom, en d'r man heet Jan van Gijzen. |
Opa Bakkebaard heeft een huisje, en in dat huisje daar is het goed. Opa Bakkebaard is aan 't werken en weet jij wel, wat hij doet? Hij veegt de vloer met een bezem, met een bezem. Hij veegt de vloer, Zo veegt hij de vloer. |
||
| Hansje Knipperdolletje... | Zeven kikkertjes... | Klein, klein kleutertje... | ||
|
Hansje Knipperdolletje, die zat laatst aan de dijk; hij krabde daar zijn bolletje, zijn mutsje viel in 't slijk. Hansje wil jij je mutsje verkopen? Nee zus, malle zus! Wie verkoopt er nou zijn muts? |
Er zaten zeven kikkertjes, al in een boerensloot. De sloot was toegevroren, ze waren bijna dood. Ze kwekten niet, ze kwakten niet van honger en verdriet. |
Klein, klein kleutertje, wat doe je in mijn hof? Je plukt er al de bloempjes af en maakt het veel te grof. Och, mijn lieve Mamaatje, zeg het niet tegen Papaatje. Ik zal zoet naar school toe gaan, en de bloempjes laten staan. |
| De zomer is gekomen... | Kleine mensen... |
|
De zomer is gekomen De wereld is weer blij. Je ziet het aan de bomen En aan de lammetjes in de wei. Je ziet het aan de bloempjes in het groene gras Ik wou dat het voor altijd heerlijk zomer was. |
Kleine mensen willen groot
zijn, grote mensen vaak weer klein. Zou het niet het beste wezen altijd maar jezelf te zijn? |
| Clowntje in mijn hart... | Vrienden... |
Er woont een clowntje in mijn hart, heel klein, maar heel apart. Het kan dansen en springen, lachen en zingen. Heb je verdriet, en moet je wenen. Dan mag je het van mij lenen. |
Als het goed gaat heb je vrienden. Als het slecht gaat vaak niet een. Mocht dat eens bij jou gebeuren, bel me dan, ik kom meteen. |
| Clowntje Piet | Brilslang... |
|
Clowntje Piet heeft verdriet, hij vertoont zijn kunstjes niet. Zijn balon die is stuk, tjonge, tjonge wat een ongeluk. En toen kwam de directeur van het circus. En die gaf clowntje Piet een nieuwe ballon. Toen kon clowntje Piet weer lachen... Boem reteketet, Boem reteketet! Het clowntje kon weer lachen... Boem reteketet, Boem reteketet! Het clowntje heeft weer pret... |
Een brilslang van een jaar
of tien die kon opeens niet goed meer zien. Hij gaf van schrik een gilletje. Hij was een week geheel van streek. Nu heeft hij een nieuw brilletje... |
| Een houtworm... | Appie Katoen... |
| Een houtworm zat in een keukenstoel en at, en at, een heleboel. En op die stoel zat tante Mien. Ze had de houtworm nooit gezien. Die at maar door en at maar door. Totdat het krikte en krakte. En tante Mien om kwart voor tien pardoes door de stoel heen zakte... |
Appie katoen geef me eens een zoen geef me eens een kusje peper in een busje peper in de soep hoepel de poep... |
| Sintliedje... | Sintliedje... |
| Sinterklaasje, kom maar binnen met je
knecht, want we zitten allemaal even recht. Misschien heeft u wel even tijd, voordat u weer naar Spanje rijdt. Kom dan nog even bij ons aan, en laat uw paardje maar buiten staan. En we zingen en we springen en we zijn zo blij, want er zijn geen stoute kinderen bij. En we zingen en we springen en we zijn zo blij, want er zijn geen stoute kinderen bij. |
Zwarte Piet ging uit fietsen, toen knapte zijn band. Toen moest hij gaan lopen, met de fiets aan zijn hand. Hij kwam in 'n dorpje, en zei tegen de smid: 'k Geloof dat er in mijn achterband een pepernootje zit. De smid moest toen lachen en plakte zijn band. Toen kon Piet weer fietsen door heel Nederland. Och jongens en meisjes let nu toch eens op! Misschien zie je Piet wel fietsen met Sint achterop. |
| Sintliedje... | Sintliedje... |
| Zie, de maan schijnt door de bomen, makkers staakt uw wild geraas. 't Heerlijk avondje is gekomen, 't avondje van Sinterklaas. Vol verwachting klopt ons hart, wie de koek krijgt, wie de gard. Vol verwachting klopt ons hart, wie de koek krijgt, wie de gard." |
Sinterklaas kapoentje, gooi wat in mijn schoentje, gooi wat in mijn laarsje, dank u, Sinterklaasje. |
| Sintliedje... | Sintliedje... |
| O, kom er eens kijken, wat ik in mijn schoentje vind. Alles gekregen van die beste Sint. Een pop met vlechtjes in het haar, een snoezig jurkje kant en klaar, drie kaatseballen in een net een letter van banket. O, kom er eens kijken, wat ik in mijn schoentje vind. Alles gekregen van die beste Sint. |
Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan. Hij brengt ons Sint-Nicolaas, ik zie hem al staan. Hoe huppelt zijn paardje het dek op en neer, hoe waaien de wimpels al heen en al weer. Zijn knecht staat te lachen en roept ons reeds toe: 'Wie zoet is krijgt lekkers; wie stout is de roe!' O. lieve Sint Nicolaas kom ook eens bij mij en rijd toch niet stilletjes ons huisje voorbij! |
| Sintliedje... | |
|
Sintliedje... Hoor de wind waait door de bomen, hier in huis zelfs waait de wind. Zou de goede Sint wel komen, nu hij het weer zo lelijk vindt? Nu hij het weer zo lelijk vindt!? Ja hij komt in donkere nachten, op zijn paardje o zo snel, als hij wist hoe zeer wij wachten, ja gewis dan kwam hij wel, ja gewis dan kwam hij wel." |
Hoor wie klopt daar kind'ren, Hoor wie klopt daar kind'ren. Hoor wie tikt daar zachtjes tegen 't raam. 't Is een vreemd'ling zeker, die verdwaald is zeker. 'k Zal eens even vragen naar zijn naam: Sint Nicolaas, Sint Nicolaas brengt ons vanavond een bezoek en strooit dan wat lekkers in d' één of andere hoek. Stoute kind'ren, zegt hij, krijgen knorren, zegt hij, of een zakje, zegt hij, met wat zout. Want je weet wel, zegt hij dat Sint Nicolaas, zegt hij van die stoute kind'ren heel niet houdt. Sint Nicolaas, Sint Nicolaas brengt ons vanavond een bezoek en strooit dan wat lekkers in d' één of andere hoek. |
|
De zak van Sinterklaas, Sinterklaas, Sinterklaas, De zak van Sinterklaas, o jongens, jongens het is zo`n baas! Daar stopt hij, daar stopt hij, daar stopt hij blij van zin. De hele, de hele, de hele wereld in! De zak van Sinterklaas, Sinterklaas, Sinterklaas, De zak van Sinterklaas, o jongens, jongens het is zo`n baas! Hij is voor groot en klein, groot en klein, groot en klein, Hij is voor groot en klein voorzien van taai en marsepein. En bergen, en bergen, En bergen suikergoed, Zo lekker, zo lekker, Zo lekker en zo zoet. Hij is voor groot en klein, groot en klein, groot en klein, Hij is voor groot en klein voorzien van taai en marsepein. |
Sinterklaasje bonne,
bonne, bonne, gooi wat in mijn regen-, regentonne, gooi wat in mijn laarsje, dank u, Sinterklaasje |
| Kerstliedje... | Kerstliedje... |
"Midden in de winternacht" Midden in de winternacht, ging de hemel open. Die ons heil der wereld bracht, antwoord op ons hopen. Elke vogel zingt zijn lied, herders waarom zingt gij niet. Laat de citers slaan, blaast de fluiten aan. Laat de bel, laat de trom, laat de beltrom horen: Christus is geboren! Vrede was er overal, wilde dieren kwamen. Bij de schapen in de stal, en zij speelden samen. Elke vogel zingt zijn lied, herders waarom zingt gij niet. Laat de citers slaan, blaast de fluiten aan. Laat de bel, laat de trom, laat de beltrom horen: Christus is geboren! Ondanks winter sneeuw en ijs bloeien de bomen, want het aardse paradijs is vannacht gekomen. Elke vogel zingt zijn lied, herders waarom zingt gij niet. Laat de citers slaan, blaast de fluiten aan. Laat de bel, laat de trom, laat de beltrom horen: Christus is geboren! Zie daar staat de morgenster, stralend in het duister. Want de dag is niet meer ver, bode van de luister Die ons weldra op zal gaan, herders blaast uw fluiten aan. Laat de bel bim-bam, laat de trom rom-bom. Kere om, kere om, laat de bel-trom horen Christus is geboren! |
White Christmas
I'm dreaming of a white Christmas
I'm dreaming of a white Christmas
I'm dreaming of a white Christmas |
| Kerstliedje... | Kerstliedje... |
De herdertjes lagen bij nachte De herdertjes lagen bij nachte Toen zij er te Bethlehem kwamen |
Stille nacht, Heilige nacht
Stille nacht, Heilige nacht, Hulp'loos kind, Heilig kind, Stille nacht, Heilige nacht, |
| Kerstliedje... | Kerstliedje... |
Oh denneboom oh denneboom, oh denneboom Oh denneboom, oh denneboom |
Er is een kindeke geboren op aard Er is een kindeke geboren op aard Er is een kindeke geboren op aard 't Kwam op de aarde voor ons allemaal 't Kwam op de aarde voor ons allemaal 't Kwam op de aarde en 't had er geen huis 't Kwam op de aarde en 't had er geen huis 't Kwam op de aarde en 't droeg al zijn Kruis 't Kwam op de aarde en 't droeg al zijn Kruis Er is een Kindeke geboren in 't strooi Er is een Kindeke geboren in 't strooi 't Lag in een kribbe, bedekt met wat hooi 't Lag in een kribbe, bedekt met wat hooi |
| Kerstliedje... | Kerstliedje... |
| Komt allen
tezamen Komt allen tezamen, jubelend van vreugde Komt nu, o komt nu naar Betlehem! Ziet u de vorst der eng'len hier geboren Komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij aanbidden die Koning. Komt allen tezamen, komt verheugd van harte Bethlehems stal in den geest bezocht Ziet nu dat kindje, ons tot heil geboren Komt, laten wij aanbidden komt, laten wij aanbidden komt, laten wij aanbidden die Koning. O kind, ons geboren, liggend in de kribbe, neem onze liefd' in genade aan! U, die ons liefhebt, U behoort ons harte! Komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij aanbidden die Koning. |
Jingle bells
Jingle bells, Jingle bells, jingle all the way Dashing trough the snow, in a one-horse open
sleigh |
Nederlandse Volkslied:
De eerste letters van de 15 coupletten van het Wilhelmus vormen samen het woord:
Willem van Nazzov
| Wilhelmus van
Nassouwe ben ik, van Duitsen bloed, den vaderland getrouwe blijf ik tot in den doed. Een Prinsen van Oranje ben ik, vrij onverveerd, den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. |
In Godes vrees te
leven heb ik altijd betracht, daarom ben ik verdreven, om land, om luid gebracht. Maar God zal mij regeren als een goed instrument, dat ik zal wederkeren in mijnen regiment. |
Lijdt u, mijn
onderzaten die oprecht zijt van aard, God zal u niet verlaten, al zijt gij nu bezwaard. Die vroom begeert te leven, bidt God nacht ende dag, dat Hij mij kracht zal geven, dat ik u helpen mag. |
| Lijf en goed al te
samen heb ik u niet verschoond, mijn broeders hoog van namen hebben 't u ook vertoond: Graaf Adolf is gebleven in Friesland in den slag, zijn ziel in 't eeuwig leven verwacht den jongsten dag. |
Edel en
hooggeboren, van keizerlijken stam, een vorst des rijks verkoren, als een vroom christenman, voor Godes woord geprezen, heb ik, vrij onversaagd, als een held zonder vreden mijn edel bloed gewaagd. |
Mijn schild ende
betrouwen zijt Gij, o God mijn Heer, op U zo wil ik bouwen, Verlaat mij nimmermeer. Dat ik doch vroom mag blijven, uw dienaar t'aller stond, de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt. |
| Van al die mij
bezwaren en mijn vervolgers zijn, mijn God, wil doch bewaren den trouwen dienaar dijn, dat zij mij niet verassen in hunnen bozen moed, hun handen niet en wassen in mijn onschuldig bloed. |
Als David moeste
vluchten voor Sauel den tiran, zo heb ik moeten zuchten als menig edelman. Maar God heeft hem verheven, verlost uit alder nood, een koninkrijk gegeven in Israël zeer groot. |
Na 't zuur zal ik
ontvangen van God mijn Heer dat zoet, daarna zo doet verlangen mijn vorstelijk gemoed: dat is, dat ik mag sterven met eren in dat veld, een eeuwig rijk verwerven als een getrouwen held. |
| Niet doet mij meer
erbarmen in mijnen wederspoed dan dat men ziet verarmen des Konings landen goed. Dat u de Spanjaards krenken, o edel Neerland zoet, als ik daaraan gedenke, mijn edel hart dat bloedt. |
Als een prins
opgezeten met mijner heires-kracht, van den tiran vermeten heb ik den slag verwacht, die, bij Maastricht begraven, bevreesde mijn geweld; mijn ruiters zag men draven zeer moedig door dat veld. |
Zo het den wil des
Heren op dien tijd had geweest, had ik geern willen keren van u dit zwaar tempeest. Maar de Heer van hierboven, die alle ding regeert, die men altijd moet loven, en heeft het niet begeerd. |
| Zeer christlijk was
gedreven mijn prinselijk gemoed, standvastig is gebleven mijn hart in tegenspoed. Den Heer heb ik gebeden uit mijnes harten grond, dat Hij mijn zaak wil redden, mijn onschuld maken kond. |
Oorlof, mijn arme
schapen die zijt in groten nood, uw herder zal niet slapen, al zijt gij nu verstrooid. Tot God wilt u begeven, zijn heilzaam woord neemt aan, als vrome christen leven,- 't zal hier haast zijn gedaan. |
Voor God wil ik
belijden en zijner groten macht, dat ik tot genen tijden den Koning heb veracht, dan dat ik God den Heere, der hoogsten Majesteit, heb moeten obediëren in der gerechtigheid. |